De plant
Bamboe maakt deel uit van de grote familie van de grasachtigen, meer bepaald de poaceae zoals tarwe, maïs en gras.
Tegenwoordig hebben botanisten al zo'n 1200 soorten bamboe geïdentificeerd. 80 daarvan werden al geclassificeerd. De grootte van de planten gaat van de kleinste van 30 cm naar reuzen die wel 40 meter hoog kunnen worden.
Bamboe heeft ondergrondse twijgen, ook wel rizomen genoemd, waarop de knoppen en wortels zich bevinden. Bepaalde knoppen ontwikkelen zich en worden stoppels (bovengrondse takken) die hol zijn en gelaagd ter hoogte van de knopen. De stoppel is van variabele kleur (geel, groen, zwart) en kan gevlekt of gestreept zijn.
De groeiknopen hebben regelmatige tussenafstanden: Anders dan een stronk die in diameter groeit, ontplooit de stoppel zich als een telescopische stengel. In tegenstelling tot andere bomen heeft de bamboe slechts één jaarring vermits deze niet in de dikte groeit. De bamboescheut schiet op uit de grond met een omtrek die ongewijzigd blijft van geboorte tot dood.
Elk jaar, wanneer de groeiperiode van de stengel en de takken ten einde loopt, blijft de rizoom verder groeien en zich vertakken onder de grond.
Bamboe groeit evenzeer op 4000 meter hoogte als in de warme en vochtige jungles. Hij kan bestand zijn tegen temperaturen van -20°C.

